Japanse tuin

Japanse tuin

De titel geeft al aan dat het een vrij spirituele game is en heel beeldend. Het is een heel verhaal om het uit te leggen, maar het past allemaal in elkaar en geeft een handvat om bewust met de ruimte om te gaan en dit te gebruiken om de diepte in te gaan met een verhaal.

Japans ruimtegebruik
Het verhaal gaat dat een japanse tuin altijd een plek heeft waar men iets verwacht wat er niet is. Er ontstaat dan een interessant energiespel in de ruimte. De (Japanse) kunst in dit spel is om je bewust te zijn van de ruimte op het toneel, het lijnenspel. Dit houdt zaken in als: hoe staat men ten opzichte van elkaar, in welke richting staan ze, kijken ze, zijn er lege plekken, zijn er kijklijnen, looplijnen, lijnen die elkaar kruisen, beweegt iemand over een mooie lijn en wil je daar in mee gaan, dat bewust negeren, of die lijn breken…?

Benodigdheden
Er is een strakke receptuur voor de rollen en voor het begin, maar verder wordt het (het lijnen spel in de gaten houdend) een vrije improvisatie. Zorg dat het publiek meekrijgt wat de rollen en het begin te betekenen hebben.

Rollen

Protagonist, de goeierd, hoewel alle goeierds natuurlijk ook hun slechte kanten hebben…
Antagonist, de slechterik (…), tegenspeler van de protagonist.
Hulpje van de protagonist, kan zich dominant of ondergeschikt opstellen, maar het verhaal draait niet om hem.
Voorwerp, ‘een’ voorwerp, dat tijdens het spel nader gedefinieerd wordt. Het is belangrijk dat het een ritmische bijdrage levert aan de scène door bijvoorbeeld te sissen, rollen, klappen of tikken. Denk aan timing en herhaling. Het moet navolgbaar blijven en uiteindelijk dus ook gedefinieerd worden, maar het is tamelijk abstract.
Opzet
Dit is het recept voor het begin:

Locatie vragen aan het publiek.
De PROTAGONIST kiest een positie en bevriest.
De ANTAGONIST kiest positie en bevriest ook.
De HULP VAN DE PROTAGONIST kiest positie, bevriest.
Vervolgens komt een VOORWERP op, deze kijkt goed en maakt in één zin het publiek warm voor een vliegende start. Bijvoorbeeld: “Ze hadden al drie dagen niks meer tegen elkaar gezegd…” Vervolgens kiest ook het voorwerp een plekje, een houding en het spel begint (evt. afspreken dat de protagonist de eerste zin zegt).
Tot slot
Praat niet te veel, laat het beeld en het ritme de scène dragen.